| Paus
(gepubliceerd in Verpleegkunde Nieuws, 14 april 2005)
De laatste jaren was Johannes Paulus II duidelijk een oude, erg zieke man, en de afgelopen maanden ging het snel bergafwaarts. Hij vond echter dat het zijn plicht was om gewoon naar vermogen door te werken en dus deed hij dat.
Dat heeft veel verschillende reacties opgeroepen, van bewondering, medelijden en onbegrip. Maar ook reacties van verontwaardiging, woede en zelfs afkeer. Ik heb zeker zes of zeven keer gelezen dat de paus zich niet meer aan de wereld mocht vertonen, omdat het té akelig was om aan te zien. “Weerzinwekkend”, schreef men. “Afschrikwekkend gereutel”. “Exhibitionistisch lijden”. Dat betekent niets anders dan dat je als zieke je plaats hoort te weten: je hoort in de spiegel te kijken en te bepalen wanneer je je beschaamd terugtrekt, omdat je verschijning voor de buitenwereld onverdraaglijk is geworden. Eenzaam, in het duister, kun je ófwel hopen op herstel, ófwel wachten op de verlossing van de dood. Wat kunnen gezonde mensen toch arrogant en kortzichtig zijn. Omdat zij niet kunnen omgaan met ziekte en lijden, zouden wij binnen moeten blijven? Omdat zij hun sterfelijkheid niet kunnen aanvaarden zouden wij moeten stoppen met het werk dat ons leven zin geeft? Deze paus heeft veel emancipatiebewegingen in de kerk de voet dwars gezet; homoseksuelen, vrouwen en trouwlustige priesters hadden al die tijd het nakijken. Maar voor de emancipatie van zieken en gehandicapten was Johannes Paulus II baanbrekend. Gebogen, steeds met één been in het ziekenhuis, krakend in al zijn voegen, ging hij onverstoorbaar door, en was succesvoller dan welke gezonde paus ook. Soms was hij nog verstaanbaar, soms niet, en op het laatst kwam er helemaal geen geluid meer uit. Hij kon dat aanvaarden: een logische tussenstap op weg naar het graf. De gelovigen op het plein aanvaardden het ook: ze gaven hem er een ontroerd applaus voor.
Eric Kollen
|